Boomvarens

Boomvarens zijn grote varens die lijken op palmbomen. Sommige soorten kunnen wel 10 à 15 m hoog worden. Ze behoren tot de oudste plantengeslachten op aarde. Er zijn fossiele stammen gevonden uit het Jura tijdperk, zo'n 150 miljoen jaar geleden. Dat is nog voor het uitsterven van de Dinosaurussen en ver voor de opkomst van de eerste bloeiende planten.

De bekendste soorten behoren tot de families Dicksonia en Cyathea. Ze komen voor op het zuidelijk halfrond. In de warmere gebieden meestal op grotere hoogte tot wel 4000 m. Door de oorspronkelijke bevolking van Nieuw-Zeeland, de Maori's, worden ze met 'ponga' aangeduid. Hun motieven zijn vaak ontleend aan de vorm van de uitlopende spruiten.

Dicksonia Antarctica

Cyathea Australis

Aangezien ze voornamelijk in de (sub-)tropen voorkomen, zijn de meeste soorten in onze streken niet winterhard. Lichte vorst kunnen ze nog wel redelijk doorstaan en tot ongeveer -4°C behouden ze meestal hun bladeren. Maar als ze in de volle grond zijn geplant en het wordt écht koud, dan kunnen ze alleen overleven als ze stevig worden ingepakt met bijv. stro. Ze kunnen hier dan ook beter in grote potten of kuipen worden gekweekt.

Het zijn vrijwel allemaal trage groeiers: ongeveer 3 à 5 cm per jaar. De stam bestaat uit een kern met daaromheen de resten van van bladstelen. Daar tussendoor groeien vanuit de top massa's luchtwortels naar beneden de grond in. Vandaar dat de stammen naar de grond toe vaak dikker zijn. Door de aanwezigheid van deze wortels kunnen sommige Dicksonia-soorten aan de onderkant worden afgezaagd en herplant, mits de groeitop bovenin onbeschadigd blijft.

Hoewel boomvarens heel goed uit sporen kunnen worden vermenigvuldigd, heeft men vanwege de lage groeisnel vaak niet het geduld ze van klein plantje af op te kweken. Vandaar dat veel afgezaagde stammen uit het land van herkomst worden geïmporteerd. Het zal duidelijk zijn dat het aantal boomvarens in de natuur bij ongeremde handel flink te lijden heeft.

Vragen of opmerkingen kunt u hier kwijt.